Hoofdstuk 3
Vragen en opdrachten
Paragraaf 3.1
Het is nog niet de bedoeling dat de leerling de antwoorden op vraag 1 en 2 nu al goed heeft. De vra-gen activeren het startkennisniveau van de leerling.
1 a Een groothandel houdt zich bezig met de verkoop van producten aan handelaren in dezelfde bedrijfskolom. De groothandel in eieren levert zijn producten aan de winkels (zoals super-markten, slagerijen, kaasboeren), maar ook aan de horeca.
b De groothandel overbrugt de verschillen tussen fabrikant (kippenboer) en winkelier. Aanslui-ten op de leerstof uit paragraaf 1.4 is natuurlijk ook goed.
c Het antwoord staat niet in de tekst, maar afnemers willen niet meer dat de kippen onder slechte omstandigheden moeten leven. Om dit te voorkomen, moet de afnemer legbatterij-eieren niet meer kopen, zodat de legbatterij-eigenaren hun producten niet meer kwijt raken.
Dat gebeurt nu dus, waardoor de legbatterij-eigenaren door de markt worden gedwongen naar andere productiemethoden uit te kijken. De Nederlandse consument is bereid meer te betalen voor eieren afkomstig van scharrelkippen.
d Eigenlijk hypocriet, omdat aan cake, koek of gebak niet is te zien welke eieren hierin ver-werkt zijn. De producent is wel goedkoper uit als hij legbatterij-eieren gebruikt.
e Ja, iedereen die bedrijfsmatig aan consumenten verkoopt, behoort tot de detailhandel.
2 a De kleinhandel houdt zich bezig met de verkoop van producten aan consumenten.
b De detailhandel overbrugt, net als de groothandel, de verschillen tussen producent en con-sument, met name de schakel tussen fabrikant/groothandel en consument.
c Grootbedrijf verwijst naar het grote aantal werknemers (meer dan honderd), terwijl kleinhan-del verwijst naar de activiteit: verkoop in kleine hoeveelheden aan de consument.
d Menig leerling (en volwassene) denkt dit, maar een schakel die zich niet kan bewijzen in de bedrijfskolom wordt er onherroepelijk uitgedrukt. De handel is beter in staat de verschillen te overbruggen dan de consument. De kostenbesparing (plus gemak) die dit voor de consu-ment oplevert is groter dan de kosten van de handel plus de winst van de handel.
Het antwoord is dus: niet juist.
Paragraaf 3.2
3 a Twee functies van de groothandel:
1 collecteren;
2 distribueren.
b Vier taken groothandel:
1 assortiment voeren van verschillende fabrikanten;
2 krediet verlenen;
3 adviseren van kleinhandel;
4 transport verzorgen;
5 promotie verzorgen voor fabrikant.
c Zelfbediening, omdat de kleinhandel niet voor alle producten dienstverlening van de groot-han-del behoeft en dit bovendien goedkoper kan zijn.
d Importeur; de fabrikant is zelf goed in staat de contacten met de groothandel in een ander land te leggen. Deze kunnen de fabrikant vertegenwoordigen (= handelsagent) of de pro-ducten op de markt brengen (= importeur).
Paragraaf 3.3
4 Extra informatie van het HoofdBedrijfsschap Detailhandel. Het bedrijfsmatig ter verkoop uitstal-len en aanbieden van artikelen aan eindgebruikers die niet ter plaatse worden geconsumeerd. In de optiek van het HBD wordt handel gericht op de verkoop van auto’s, motorfietsen en motor-brandstoffen niet onder detailhandel begrepen. Ook apothekers en caravanbedrijven vallen bui-ten de definitie.
Wel de aparte detailhandelsactiviteiten van op de auto gerichte bedrijven vallen onder de defini-tie, zoals de shop als onderdeel van een tankstation of garagebedrijf. Horeca-activiteiten worden niet onder detailhandel begrepen, ook niet de hierbij voorkomende afhaalpunten.
N.B. Deze definitie wordt voor onderzoeksdoeleinden toegepast. De instellingsverordening han-teert een ruimere definitie.
Wij zien apothekers, caravanbedrijven en horeca wel als onderdeel van de detailhandel, omdat zij aan consumenten verkopen.
a De hoofdfunctie van de kleinhandel is de goederen (en diensten) zo dicht mogelijk bij de consument aanbieden.
b Nevenfuncties zijn: opslag van goederen, selecteren van merken, garantie geven, service verlenen, thuis bezorgen, advies geven.
c Kleinhandel of detailhandel.
d In 2003 ruim 135.000 verkooppunten, waarvan 116.000 winkels en 21.000 ambulante han-del.
Bron: CRK. Het totaal aantal ondernemingen is 110.000, waarvan er 89.000 tot de gevestig-de detailhandel behoren.
Naast de hier weergegeven aantallen op hoofdactiviteit registreert het CRK ook verkoop-punten die detailhandel als nevenactiviteit hebben (zoals boerderijen die kaas verkopen). Hiervan bestaan ongeveer 50.000 ondernemingen en 52.000 vestigingen (incl. ambulante handel). De cijfers op hoofdactiviteit zijn meer herkenbaar als ‘de echte winkels’ en sluiten bovendien beter aan bij de cijfers die het CBS publiceert. Het CBS telde op 1 januari 2002 85.620 ondernemingen en 112.955 vestigingen.
e Sectoren van de kleinhandel: detailhandel, horeca, dienstverlening, ambachtelijke handel, vervoer.
5 a Ambulante handel is detailhandel zonder vaste locatie. De marktkraam heeft wel een vaste plek, maar de kraam wordt ’s avonds weer afgebroken.
b Vormen van ambulante handel zijn: markthandel, straathandel, rivierhandel, party-selling.
c De handelaar komt (dicht) naar de klant toe en men vindt ambulante handel wel gezellig.
d Een postorderbedrijf is gevestigde handel, omdat ze vanuit een vaste locatie opereert.
6 a Vormen van gevestigde handel: speciaalzaken, supermarkten, warenhuizen, cataloguswin-kels, automatenverkoop, postorderbedrijven, hypermarkten.
b Een speciaalzaak heeft een smal en diep assortiment en het verlenen van service staat hoog in het vaandel.
c Sigarettenautomaten worden opengebroken, omdat de waarde van de inhoud hoog is. Bo-vendien is het aanbrengen van de leeftijdskey prijzig, waardoor de eigenaar van de auto-maat de hele automaat maar weghaalt.
d Hypermarkten staan buiten de grote steden, daar waar vroeger weiland was.
7 a Hij kan overleven door samen te werken met andere detaillisten.
b Een inkoopcombinatie is een horizontale samenwerkingsvorm, waarbij de detaillist zelfstan-dig blijft en werkt onder zijn eigen naam en voor eigen risico. De detaillist koopt gezamenlijk met andere detaillisten in, waarbij feitelijk de groothandel wordt uitgeschakeld.
c Het VFB werkt samen met de groothandel/grossier, terwijl de inkoopcombinatie juist de gros-sier uitschakelt door rechtstreeks bij fabrikant of importeur in te kopen. De ondernemer in het VFB moet zich aan meer regels houden dan de ondernemer in de inkoopcombinatie. Zo is bij het VFB een deel van het assortiment verplicht, staat bij alle VFB’s dezelfde naam op de ge-vel – detaillist blijft wel zelfstandig – en zijn de winkelinrichting en de reclame gelijk.
d Franchising is een contractuele samenwerkingsvorm tussen de franchisegever en de fran-chisenemer (vaak de detaillist), waarbij de franchisegever een beproefde winkelformule le-vert en de franchisenemer zich verplicht deze winkelformule uit te voeren en hiervoor een bepaald bedrag (fee) betaalt.
8 a Een grootbedrijf telt meer dan honderd werknemers of zeven of meer filialen. Sommige leer-boeken spreken over meer dan vijftig werknemers.
b Middenbedrijf: tussen de tien en honderd man personeel.
c Het grootbedrijf telt meer dan honderd man personeel enz. en levert aan de consument; de groothandel levert niet aan de consument.
Paragraaf 3.4
9 a Een offerte is een omschrijving van te leveren producten of diensten, met vermelding van prijzen en andere verkoop- en leveringsvoorwaarden.
b Bij een vaste offerte is de leverancier binnen een bepaalde tijd verplicht de goederen te leve-ren tegen de opgenomen voorwaarden.
Bij een vrijblijvende offerte is de leverancier niet verplicht de goederen te leveren.
c De leverancier die met een (sterk) wisselend productaanbod zit, kan dan onder de afspraak uit. Logisch, want ook de leverancier krijgt iets andere goederen geleverd (bijvoorbeeld een andere kwaliteit) of tegen andere prijzen.
d Door het afgeven van een vaste offerte (voor een bepaalde tijd) maakt de leverancier meer kans zijn goederen te verkopen. Hij stelt potentixc3xable kopers in de gelegenheid offertes met el-kaar te vergelijken.
e Een klant die een offerte aanvraagt is niet verplicht tot kopen, een klant die een order plaatst is wel verplicht de goederen af te nemen.
f Een factuur wordt verstrekt bij de verkoop van goederen. Een inkopende handelaar mag vaak later betalen. Ook consumenten kunnen een factuur ontvangen, bijvoorbeeld de reke-ning van het elektriciteitsbedrijf.
3.7 Toepassingsvragen
10 a Distribuerend: kwekers, bloemisten, supermarkten en transporteurs;
Collecterend: veilinghandelaren, exporteurs.
b Fabrikanten: kwekers;
Groothandel: veilinghandelaren;
Tussenpersonen: transporteurs, exporteurs;
Detailhandel: supermarkten bloemisten.
11 a 1 goedkoper dan bij groothandel;
2 kan invloed uitoefenen op samenstelling producten (voorbeeld: verpakking).
b ZB groothandel verleent minder diensten en daardoor kan de kostenopslag/winstmarge lager zijn.
12 a goedkoper;
b weinig of geen garantie/service, kwaliteit is ook minder (b-keus).
13 a diep: veel product/merkvariatie in xc3xa9xc3xa9n artikelgroep;
b breed: veel artikelgroepen in het assortiment;
c breed (veel groepen), ondiep (weinig variatie in merken per artikelgroep).
14 a Verschillen warenhuis/supermarkt:
1 warenhuis hoofdzakelijk non-food producten;
2 warenhuis veelal met bedienend personeel;
3 warenhuis veelal met meerdere afrekenpun-ten per afdeling, dat wil zeggen geen cen-
trale check-out.
b Superstore heeft zowel food als non-food assortiment, buiten de stadskern gelegen, makke-lijk bereikbaar, goedkoper.
c Kopen op zicht, kopen op afbetaling, kopen zonder de deur uit te hoeven, retour zonder kosten.
d Boetieks voeren trendy kleding, dus wanneer smaak, seizoen of trend verandert moeten de boetieks zich snel aanpassen.
15 a Hotels, restaurants en cafxc3xa9s;
b Ja, producten die ter plaatse worden geconsumeerd vallen onder de horeca;
c 1 slagerijen;
2 bakkerijen;
3 lijstenmakers;
4 drukkerijen;
5 schildersbedrijven.
16 a Valt onder dienstverlening, arbeidsbemiddeling;
b Verzekeringen, kredietverlening, makelaar, notaris.
17 a Om de concurrentiepositie te behouden ten opzichte van de grootwinkelbedrijven;
b Voordelen franchising franchisenemer: volledige ondersteuning in de bedrijfsvoering;
maakt gebruik van de succesformule.
Voordelen franchising franchisegever: selectie distributienet; afzetgarantie via geselecteerde detaillis-ten.
18 a Dit is detailhandel, omdat de handelaren aan consumenten verkopen.
b Dit is distribuerende handel, omdat ze producten ‘verdelen’ over duizenden afnemers (con-sumenten).
c Bij een (vaste) offerte moet de leverancier de goederen leveren, tegen de genoemde voor-waarden. Omdat de handelaar wellicht de volgende week al weer andere handel heeft, kan hij deze verplichting niet nakomen.
d Bij markthandel is een factuur niet gebruikelijk.
e De Beverwijkse Bazaar behoort tot de ambulante handel, want na het weekeinde vertrekken de handelaars weer, gelijk de weekmarkt.
f De handelaars zijn het niet eens met de eigenaar van het complex om entreegeld te heffen. Dat schrikt potentixc3xable klanten af en gaat dus ten koste van hun omzet.
g Eigenlijk gaan de kraampjes van de handelaren niet dicht, maar alleen de kassa’s.
19 a Nee: een makelaar verkoopt niets, maar bemiddelt alleen.
b Eigen mening, maar internet zal onder jongeren zeker hoog scoren, mede omdat internet volgens het artikel al met 40% bovenaan staat.
c Internetopdracht.
20 a Volgens het HBD is een warenhuis: een grote detailhandelsvestiging met een uitgebreid as-sortiment van verschillende, niet noodzakelijk samenhangende, artikelgroepen, die vanuit af-zonderlijke afdelingen worden verkocht. Winkels waarin ten minste zes van de volgende arti-kelgroepen worden aangeboden: food, kleding/textiel, meubelen/woninginrich-ting, verlichting, huishoudelijke artikelen, consumentenelektronica, doe-het-zelfartikelen, educatie en vrijetijdsartikelen. Kleding/textiel is altijd aanwezig. De afzonderlijke artikelgroepen nemen tussen 5 en 50% van de verkoopvloeroppervlakte in beslag.
Volgens paragraaf 3.3.4 in het lesboek: winkels met een breed, maar ondiep assortiment voor voornamelijk non-food producten.
b Een warenhuis behoort tot het grootbedrijf, want V&D, de Bijenkorf en de Hema hebben ie-der meer dan 100 werknemers. V&D en de Hema hebben ook meer dan zeven vestigin-gen.(Alle drie de formules zijn van het moederbedrijf KBB.)
c Een winkelformule is het concept waarmee een detaillist een bepaalde groep afnemers pro-beert aan te trekken en aan zich te binden (de retailingmix of marketingmix van de detaillist).
d Warenhuizen presenteerden zich toen als kooppaleizen met hun luxe en service, met hun verlichting en de aanwezigheid van liften. De voorkeur voor de warenhuizen lag in het feit dat bijna alles onder xc3xa9xc3xa9n dak te koop was. Men hoefde weer en wind niet langer te trotseren en men wist tijd te besparen. Zo kregen de warenhuizen de kans om een echte publiekstrekker te worden. De warenhuizen wonnen de concurrentieslag door het zeer uitgebreide assorti-ment en de relatief lage prijzen.
e In 1850 begon de 2e helft van de 19e eeuw.
f Franchising is een contractuele samenwerkingsvorm tussen de franchisegever en de fran-chisenemer (vaak de detaillist), waarbij de franchisegever een beproefde winkelformule le-vert en de franchisenemer zich verplicht deze winkelformule uit te voeren en hiervoor een bepaald bedrag (fee) te betalen.
g De consumenten zijn veel kritischer geworden en vinden het aanbod van een warenhuis steeds minder aantrekkelijk.
h Daarvoor zijn diverse oorzaken. Op de eerste plaats is er bezwaar tegen de prijs-kwaliteit verhouding. Men is wel bereid een hogere prijs te betalen, maar dan uitsluitend voor artike-len die voldoen aan technische eisen, degelijkheid en actuele mode.Dat het assortiment in dat opzicht tekortschiet is te wijten aan een verkeerd inkoopbeleid. Bovendien geldt voor be-paalde artikelgroepen zoals speelgoed, boeken, fotoartikelen en gebak een veel te gering aanbod. Het publiek is verder van mening dat er sprake is van onoverzichtelijkheid en gerin-ge behulpzaamheid van het personeel.
i In de sfeer van de concurrentie spelen twee andere factoren een rol. Wie een minder hoog-waardig aanbod zoekt kan tegen lagere prijzen goed terecht bij Zeeman, Hennes & Mauritz en anderen. Wie een groter, gevarieerder assortiment wenst te zien, bezoekt liever themati-sche speciaalzaken. Denk hierbij aan lingerie, vrijetijdskleding, sportartikelen, speelgoed of elektronica. Zo beschouwd lopen vooral de warenhuizen van Vroom & Drees-mann tientallen jaren achter bij de voorkeuren van het publiek.
j Vendex KBB heeft een keuze uit drie mogelijkheden:
sluiting van verdiepingen in de grote vestigingen teneinde de kostendruk te verlagen, mits er in de overgebleven ruimte een geheel nieuwe formule tot leven wordt gewekt;
in het warenhuis ruimte beschikbaar stellen aan gespecialiseerde thematische winkels;
integratie van Bijenkorf en V&D onder xc3xa9xc3xa9n dak, uiteraard in gescheiden ruimtes.
k V&D boekte over 2002 een bescheiden winst.
Onderstaande tekst stond nog in het originele artikel. Maar we willen u die tekst niet onthouden.
‘Indien de warenhuizen in het algemeen zouden verdwijnen zijn de gevolgen daarvan nogal drama-tisch. Menig winkelcentrum dient dan te rekenen op verlies van klanten. Ook de overige winkelbedrij-ven kunnen hierdoor schade lijden, evenals de horeca. Voorts komt de vastgoedwaarde van centra in de knel en zal rendementsverlies optreden.Een ander punt is wat er moet gebeuren met de door Ven-dex KBB ontruimde panden. Voor gebouwen met een paar duizend vierkante meter vloeroppervlak zijn wel oplossingen te bedenken, bijvoorbeeld vestiging van een Hema of van andere expanderende winkelketens. Voor warenhuizen van 10.000 vierkante meter is geen alternatief te bedenken, mede door de gesloten gevel en de grootschalige indeling.Dat is geen vrolijk vooruitzicht. Men bedenke echter dat in de detailhandel van oudsher veranderingen hebben plaatsgehad; ‘the wheel of retailing’ staat nooit stil.’
21 en 22 Groepsopdracht
Hoofdstuk 4
Vragen en opdrachten
Paragraaf 4.1
1 a Bij een monopolie is er slechts xc3xa9xc3xa9n aanbieder tegenover veel vragers.
b Concurrentie zorgt op termijn voor een beter product (in dit geval een dienst) tegen lagere prijzen.
c Deze landen vrezen dat de huidige aanbieder van personenvervoer het niet zal redden, waardoor veel ambtenaren (in dienst van de lokale vervoerder) hun baan zullen kwijtra-ken.Ook raakt de overheid dan zijn zeggenschap over een stuk infrastructuur kwijt.
d Eigen mening, maar wel laten onderbouwen. In heel veel markten zorgt concurrentie op ter-mijn inderdaad voor lagere prijzen en betere producten. Openbaar vervoer is een maat-schappelijke voorziening en die mag niet uit handen van de Staat worden gegeven. Op winst gerichte bedrijven zullen namelijk de verliesgevende lijnen schrappen. Dit hebben we al ge-zien bij de geprivatiseerde busmaatschappijen, waardoor er in sommige delen van Neder-land nog maar xc3xa9xc3xa9n keer per dag een bus rijdt. Vooral de zwakkeren in de maatschappij kun-nen zich daar dan niet of moeilijk of tegen hoge kosten verplaatsen.
2 a 1 de kapitaalmarkt;
2 de huizenmarkt;
3 de graanhandel.
b De functie is de prijsvorming duidelijk te maken of het geheel van vraag en aanbod te laten zien.
c Concrete markt is de plaats waar kopers en verkopers elkaar daadwerkelijk ontmoeten en een over-eenkomst tot stand kan komen.
3 a Veiling: concrete markten voor handelaren in o.a. agf, bloemen etc.
b 1 opbod;
2 afslag;
3 opbod en afslag.
c Vragers zijn concurrenten omdat zij op de veiling een bod kunnen uitbrengen op een en het-zelfde aanbod/product.
4 a Bij inschrijven zijn meerdere vragers en een aanbieder, bij aanbesteden zijn er meerdere aanbieders en een vrager.
b Inschrijving: verkoop gevonden voorwerpen bij NS.
Aanbesteden: aanleg van een provinciale weg, bouwen van een flatgebouw.
5 a Beurs is een concrete markt waar de goederen niet aanwezig zijn.
b Prijsvorming vindt plaats door monsters te keuren of door middel van een beschrijving.
6 a Jaarbeurs: eens per jaar of twee jaar; ook toegankelijk voor niet-handelaren; lijkt meer op een tentoonstelling.
b 1 Horecava;
2 Hiswa;
3 Femina;
4 Efficiencybeurs.
Paragraaf 4.4
CASUS
7.1 Bloemenhandel: abstract, plaats niet bekend
7.2 Veiling: concreet, plaats bekend
7.3 Verpakkingsmarkt: abstract
7.4 Aanbesteding: abstract
7.5 Kapitaalmarkt: abstract
7.6 Effectenbeurs: concreet
7.7 Arbeidsbureau (CWI): concreet
7.8 Levensmiddelenhandel: abstract
7.9 Boekhandel: concreet
7.10 Inschrijven: concreet
7.11 Muziekhandel: abstract
Paragraaf 4.5
8 a De marktvorm wordt bepaald door:
− het aantal aanbieders en het aantal vragers (als het aantal vragers apart wordt genoemd, worden het vijf factoren);
− de aard van de goederen;
− de doorzichtigheid van de markt;
− de toetredingsmogelijkheden tot de markt.
b Als er niet verschillende aanbieders zijn, dan zijn er wel substitutiemogelijkheden (zoals een treinreis tegenover een autorit).
c We spreken van weinig aanbieders als het gedrag van xc3xa9xc3xa9n aanbieder dat van de andere aanbieders bexc3xafnvloedt.
d Bij hoeveel aanbieders bexc3xafnvloedt het gedrag van xc3xa9xc3xa9n aanbieder niet meer dat van een an-dere? (Het aantal doet er niet toe, als de aanbieders maar op elkaars gedrag reageren. Het kunnen er dus best vijf of vijftig zijn).
e De markt van landbouwproducten.
9 a Homogene goederen zijn goederen waarbij de afnemer geen voorkeur heeft en alleen naar de prijs kijkt.
Heterogene goederen verschillen van elkaar in kwaliteit, merk, verpakking en/of service; de afnemer heeft een voorkeur.
b Homogene goederen: aardappelen, bloemkool, eieren, melk, bloembollen. Uiteraard wel binnen dezelfde klasse, want aardappelen als bintjes of eigenheimers verschillen van elkaar en eieren klasse 3 of 5 verschillen ook van elkaar.
Voorbeelden van heterogene goederen zijn: halfvolle melk, Jonagold appelen, fietscompu-ters, kaarsen, kerstbomen, mobiele telefoons, sportschoenen.
Extra antwoord. Vanuit de marketing gezien bestaan er geen homogene goederen, omdat een afnemer – afgezien van de prijs – altijd wel een voorkeur heeft; zelfs bij identieke pro-ducten bestaat er een voorkeur op grond van productattributen als verpakking en service.
c Bij een onderscheidend product kunnen ze gemakkelijker hogere prijzen rekenen en dus hun winstpositie verbeteren (merknamen!). Overigens is het ook een wens van de consument om producten te kunnen kopen die van andere aanbieders verschillen.
d Door een merk, andere verpakking, vormgeving, kleur, ingredixc3xabnten, reclame, enzovoort.
10 a Van een ondoorzichtige markt is sprake als vragers en aanbieders geen vrij zicht hebben op wat er in de markt gebeurt: aangeboden hoeveelheden, kwaliteiten, prijzen, enzovoort.
b Verschillende landbouwproducten (zoals graan) kennen een (redelijk) doorzichtige markt (100% doorzichtige markten bestaan niet).
c Op een doorzichtige markt vinden we homogene goederen.
d Als de goederen van elkaar verschillen, kan de afnemer deze minder gemakkelijk met elkaar vergelijken, dus wordt de markt minder doorzichtig.
e Een markt kent een vrije toetreding als er geen belemmeringen zijn om op de markt te ko-men; iedereen kan aanbieder in deze markt worden.
f Op bepaalde markten is dat wettelijk onmogelijk.
g Zulke mensen plegen illegale activiteiten, zoals in het artikel over valsemunters.
h Openbare echtheidskenmerken van een eurobiljet: hologram, voelbare inkt, voor- en ach-ter-kant vormen samen een perfect sluitend getal, watermerk, oplichtende inkt onder een uv-lamp, reliefdruk, kleuren die ‘verspringen’ als het biljet gekanteld wordt.
11 a Homogeen.
b Heterogeen; er zit een merkje van de Hema op. En het ene pakket tulpenbollen is het andere pakket niet, afhankelijk van de aanbieder.
c De kans op een prijs is per lot even groot. Daarom zijn het homogene goederen. Ten op-zichte van andere loten zijn ze heterogeen.
d Homogeen; de aanbieder is niet bekend.
e Homogeen; de kippenhouderij is niet bekend.
f Heterogeen; er zit een merk op.
g Heterogeen; er zit een merk op.
Paragraaf 4.6
12 a Een monopolie is een marktvorm met xc3xa9xc3xa9n aanbieder en veel vragers, een zeer moeilijke toetreding voor concurrenten en weinig doorzichtigheid.
b Bij een monopolie is er slechts xc3xa9xc3xa9n aanbieder, is de markt doorzichtig, zijn de goederen vaak homogeen en is de toetreding (wettelijk) onmogelijk.
c De wet verbiedt andere aanbieders de markt te betreden, of geen enkele andere aanbieder is gexc3xafnteresseerd in deze markt.
d Voorbeelden: uitgifte paspoorten, uittreksel uit het bevolkingsregister, gevangeniswezen (maar die staat ook in de tekst), het enige taxibedrijf in het dorp is ook een monopolist (in dat gebied).
13 a Een oligopolie is een marktvorm met weinig aanbieders, die invloed uitoefenen op elkaars prijzen; toetredingsmogelijkheden en doorzichtigheid zijn beperkt.
b Weinig aanbieders, homogene producten, beperkte toetredingsmogelijkheden en weinig doorzichtigheid.
c Weinig aanbieders, heterogene producten, beperkte toetredingsmogelijkheden en weinig doorzichtigheid.
d Een voorbeeld van een homogeen oligopolie is de staalindustrie.
e Er kunnen veel merken voorkomen, doordat xc3xa9xc3xa9n aanbieder tientallen merken heeft.
14 a Volledig vrije mededinging is een marktvorm met veel aanbieders en veel vragers, een ho-mogeen aanbod van producten, een volledig doorzichtige markt en volledig vrije toetreding tot de markt.
b Kenmerken: veel aanbieders en veel vragers, homogeen product, doorzichtige markt, vrije toetreding.
c Monopolistische concurrentie is een marktvorm met veel aanbieders en veel vragers, een heterogeen aanbod van producten, geen volledig doorzichtige markt en beperkte toetre-dingsmogelijkheden tot de markt.
d Kenmerken: veel aanbieders en veel vragers, de markt is ondoorzichtig en heterogene pro-ducten. De toetreding tot de markt is redelijk vrij.
e Bij monopolistische concurrentie kunnen de aanbieders zich op een klein deeltje van de markt onderscheiden van de andere aanbieders.
f Zijn vraag is zo gering op de totale vraag, dat dit geen invloed heeft op de prijsvorming.
15 a Bedrijfskolom drop.
Fabrikanten in Nederland (70% van de afzet) bovenin met aan de linkerkant de fabrikanten in het buitenland (30% van de afzet).
Fabrikanten in NL leveren zowel aan de grossiers als aan de inkoopcombinaties. De fabri-kanten uit het buitenland leveren ook aan de grossiers en de inkoopcombinaties.
Grossiers en inkoopcombinaties leveren aan winkelbedrijven met food-assortiment. De in-koopcombinaties leveren aan hun eigen leden, maar dat valt uit het schema niet af te leiden. De winkelbedrijven verkopen vervolgens aan de consumenten.
b Een inkoopcombinatie is een samenwerkingsverband tussen detaillisten die vaak gezamen-lijk bij fabrikanten inkopen. Dit is een vorm van integratie, waarbij de grossier wordt uitge-schakeld. De taken van de grossier worden overgenomen door de inkoopcombinatie.
c Marktleider is de aanbieder met het grootste marktaandeel.
d Verder in de bedrijfskolom verandert het aantal aanbieders/vragers. Ook de aard van het product verandert door merkverschillen, vormgeving, verpakking e.d. en daarmee verandert de doorzichtigheid.
16 a Heterogeen oligopolie: weinig aanbieders (tien grote en twee kleine) met weinig vragers (zes inkoopcombinaties en twintig grossiers), heterogeen product door de verschillende merken, een weinig doorzichtige markt en beperkte toetreding (anders waren er wel meer aanbieders geweest dan de twaalf).
b Heterogeen oligopolie: zie vraag a.
c Monopolistische concurrentie: veel aanbieders (winkelbedrijven met food-assortiment); veel vragers (miljoenen consumenten), door de merken een beperkt doorzichtige markt met een vrije toetreding. (Daarom zijn er ook zoveel foodwinkels, namelijk zo’n 33.000 verkooppun-ten.)
d Heterogeen oligopolie: enkele aanbieders (eigenlijk maar xc3xa9xc3xa9n met dat merk) met veel vra-gers (er zijn toch enkele duizenden kantines en scholen); heterogeen product door het merk en beperkte toetreding.
e Monopolie: xc3xa9xc3xa9n leverancier met alleenverkooprecht waardoor de markt niet toegankelijk is voor anderen.
4.7 Toepassingsvragen
17 a Er zijn inderdaad veel aanbieders, maar elke aanbieder heeft binnen een klein deel van de markt zijn eigen ‘monopolie’ gecrexc3xaberd.
b Wereldwijd is er een beperkt aantal vragers naar ruwe olie, omdat er niet zo veel oliemaat-schappijen (zoals Shell, Esso) zijn. Exc3xa9n vrager komt voor in de bouwwereld, bijvoorbeeld de aanleg van de Betuwelijn: alleen de Nederlandse overheid is vrager.
c Die paar aanbieders proberen zich van de anderen te onderscheiden door het bewust aan-brengen van verschillen. Als er veel aanbieders zijn, heeft het nauwelijks zin je te onder-scheiden, omdat het te winnen marktaandeel dan eigenlijk niets voorstelt.
d Al die duizenden personen of instellingen kunnen nooit alles op elk moment van de markt weten. Neem de effectenbeurs, behoorlijk doorzichtig, maar de particuliere belegger heeft geen realtime koersen. Hij loopt minimaal een kwartier achter.
18 a De aardoliemarkt is een homogeen oligopolie: enkele aanbieders (80% van de wereldolie-productie komt bij het Opec-kartel vandaan); enkele vragers (de zeven grote oliemaatschap-pijen waarvan Shell marktleider is); een homogeen product (Brentkwaliteit is wereldwijd dezelfde en daardoor een doorzichtige markt) en moeilijke toetreding (de aanbieder moet olie in de grond moet hebben zitten – dat is niet in zo veel landen in de wereld – en is afhan-kelijk van vergunningen).
b De benzinemarkt is een heterogeen oligopolie: enkele aanbieders (de zeven grote oliemaat-schappijen); moeilijke toetreding (er is minimaal een miljard euro nodig om uit ruwe olie brandstof te kunnen maken en een netwerk van benzinepompen op te zetten); een hetero-geen product (de afnemer ervaart Shell-benzine anders dan die van de witte pompen) en een ondoorzichtige markt.
c De aardoliemarkt is een abstracte markt, namelijk het totaal van vraag en aanbod zonder dat er een aanwijsbare plaats is waar vragers en aanbieders elkaar ontmoeten.
d De genoemde markten zijn voorbeelden van een concrete markt, terwijl de benzinemarkt een abstracte markt is.
e Elke pomphouder kan in een beperkt geografisch marktgebied uniek zijn in zijn aanbod en kan zich daarom als monopolistje gedragen.
f Marktwerking is het optreden van concurrentie; zorgen dat er concurrentie tussen de aan-bieders is.
g Inschrijving is een verkoopsysteem met xc3xa9xc3xa9n aanbieder (in dit geval de overheid) en een aantal vragers (in dit geval de potentixc3xable pomphouders). De vragers kunnen schriftelijk bie-den op de aangeboden goederen, in dit geval het recht om op een bepaalde plaats langs de snelweg een benzinepomp te exploiteren.
19 a Marktwerking houdt in dat de concurrentie invloed heeft op de markt. Door marktwerking gaan de prijzen omlaag en de service omhoog.
b De energiemarkt is een abstracte markt, namelijk het totaal van vraag en aanbod, zonder een aanwijsbare plaats waar vragers en aanbieders samenkomen.
c − een oligopolie telt weinig aanbieders en veel vragers;
− er zijn of homogene of heterogene producten;
− de markt is of doorzichtig of ondoorzichtig.
− de toetreding tot de markt is beperkt.
d Een marktpartij is of de aanbieder of de vrager.
e Als de aanbieder zich kan onderscheiden kan hij andere (lees hogere) prijzen rekenen.
f Door middel van reclame. De ene aanbieder geeft een warmer gevoel terwijl de andere juist sporters in beeld brengen, die hun droom realiseren dankzij een elektriciteitsproducent.
g Energie is een schaars goed, waarvan de bodemgrondstoffen op kunnen raken. Door zuinig met energie te zijn, heeft de volgende generatie ook nog de beschikking over deze schaarse middelen.
h Energie is moeilijk op te slaan (geen voorraadvorming); fluctuerende vraag; verouderde cen-trales en netwerken. (Dat betekent ook: niet kunnen profiteren van nieuwe technieken die kostprijs verlagend werken.) Maar bovenal omdat de aanbieders niet gebaat zijn bij een lage prijs. Niet in het artikel genoemd: de duurder wordende inkoop van olie en aardgas waar de centrales op draaien.
i Iets is schaars als men er moeite voor moet doen; als men geld of tijd moet opofferen om iets te verkrijgen. Schaars in de betekenis van de tekst is: minder aanbod.
20 a Bij de benzinepomp; daar zijn de vertegenwoordiger van de aanbieder, de vrager (in de vorm van de automobilist) en het product aanwezig.
b Een homogeen oligopolie: enkele aanbieders; veel vragers; heterogeen (gemaakt) product’ deels ondoorzichtige markt en beperkte toetreding.
c Een markt waarbij de aanbieders het moeten hebben van de grote afzetten, omdat de winst per product laag ligt.
d Het is een markt waar weinig valt te verdienen.
e Tango heeft zoveel mogelijk kosten weten te vermijden, met name de personeelskosten, door met onbemande pompstations de markt te betreden.
f De aanbieder met het hoogste marktaandeel.
g Centraal Bureau voor de Statistiek.
h De marktleider kan zo’n aanval niet op zich laten zitten en wil natuurlijk geen marktaandeel verliezen. 54 stations – ieder goed voor ruim 5 miljoen liter (totaal bijna 300 mln liter ofwel een marktaandeel van ongeveer 3%) – is een leuke afzet. Doordat Shell met de Tinq-vestiging komt, remt ze de groei van Tango.
i Naast de prijs probeert een pomphouder zich te onderscheiden van andere pomphouders door het bieden van service, zegeltjes, een shop, het stillen van de kleine trek, een autowas-serette of een gelegenheid om olie te verversen.
21 Opdracht klantenbinding en klantvriendelijkheid.
22 a Groepsopdracht pomphouders.
b Een pomphouder wil graag een snelweglocatie, omdat daar veel passanten zijn en de vol-gende pomp weer veel verder is; snelle service weegt op tegen de hogere prijs. Verder kan de zakelijke rijder de rekening bij zijn baas neerleggen. De zakelijke rijder maakt het dus niet zoveel uit of hij een paar cent meer moet betalen, als hij maar service krijgt.
Hoofdstuk 5
Vragen en opdrachten
Paragraaf 5.1
1 a Dat de rederij zich met marketing heeft beziggehouden, blijkt uit het marktonderzoek, dat gehouden is nog voordat er een streep op de bouwtekening stond, uit het feit dat het marke-tingconcept is toegepast in de praktijk, uit de marketingmixen en uit het feit dat rekening is gehouden met het consumentengedrag.
b Afhankelijk van welke hut is gekozen en hoeveel moeite men gedaan heeft om te boeken, is het een shopping good of een specialty good.
c Afgeleide vraag (dit hoeft de leerling nu nog niet te weten, maar wel aan het eind van het hoofdstuk).
d Bij uitgebreid koopgedrag doorloopt de koper het hele koopproces en doet hij veel moeite voor zijn aankoop.
e Externe factoren oefenen van buiten de onderneming invloed uit op het beleid van de onder-neming.
f Het marketingconcept houdt in: uitgaan van de behoeften van de afnemer.
g De vijf p’s: product, prijs, promotie, plaats (distributie) en personeel.
Paragraaf 5.2
2 a Je wilt weinig moeite doen om ze te kopen, je koopt deze goederen vaak en de goederen zijn relatief goedkoop.
b De kenmerken van shopping goods zijn:
– de consument doet veel aankoopmoeite;
– de goederen worden niet vaak gekocht;
– de goederen zijn relatief duur;
– de goederen zijn vaak modegevoelig.
c De consument gaat ervoor shoppen. De consument ver-gelijkt het aanbod en maakt daar een keuze uit.
3 a Alle voorbeelden van dagelijkse goederen.
b Kleding, schoeisel, geluids- en tv-apparatuur, alle huis-raad, minder vaak gekochte gebruiks-voorwerpen.
c Voor specialty goods heeft de koper een speciale (mer-ken)voorkeur. Specialty goods worden minder vaak gekocht en zijn duurder dan shopping goods.
4 a Shopping of specialty good.
b Shopping of specialty good.
c Convenience good, hoewel shopping good ook kan voor een bijzondere gelegenheid.
d Convenience good. Of specialty good als de merkvoor-keur groot is.
e Shopping of specialty good.
f Convenience, shopping of specialty good. Zie ook het antwoord bij vraag 5.
5 Conclusie: afhankelijk van de persoon, het gebruiksdoel en de (merk)voorkeur verschilt het ant-woord.
6 a Kwaliteit, prijs, inkomen, duurzaamheid.
b Een goede kwaliteit is vaak duurder dan een matige kwali-teit. Een hogere prijs is een richtlijn voor de kwaliteit van het product.
c Bij een laag inkomen kun je niet zo snel en een mindere hoeveelheid luxe goederen kopen.
Paragraaf 5.3
7 a Een intermediair is een persoon of organisatie die op een of ande-re wijze bemiddelt en dien-sten ver-leent bij het tot stand komen van ruiltrans-ac-ties tussen aanbieders en afnemers.
b Een intermediair oefent afgeleide vraag uit. Evenals al de anderen in de bedrijfskolom.
8 a De afgeleide vraag is afgeleid van de finale vraag: de vraag van de consument.
Afgeleide vraag is de vraag uit-geoefend door bedrijven.
b De totale vraag naar een productklasse in een be-paalde periode in een bepaald gebied.
c Autonome vraag.
d Behoeften zijn zaken die de mens nodig heeft om in leven te blijven of om het leven te ver-aangenamen.
Paragraaf 5.4
9 a Het krijgen en vasthouden van klanten, om hierdoor winst te maken.
b Een denkwijze waarbij de behoeften van de afnemer cen-traal staan.
c Door goed in te spelen op de behoeften/wensen van de klant, realiseert de onderneming winst. Winst is het doel van de onderneming.
10 a Door marktonderzoek.
b Zie de casus kleding. Probeer de leerling te stimu-leren een voorbeeld uit de eigen omgeving te laten geven. Bij-voorbeeld er werden 15.000 mensen verwacht bij een pop-concert. Dit werden er slechts 3.000. Deels onverwacht sloeg de Flippo aan. Iemand met een hoog in-komen, rijdt in een doorsnee auto.
11 a Omgevingsfactoren omschrijven we als varia-belen die in-vloed uitoefenen op het beleid van de onderneming.
b Externe omgevingsfactoren liggen buiten de onderne-ming. Interne liggen in de onderneming (maar buiten de marke-tingafdeling).
c Concurrentie, wetgeving, sociaal-culturele factoren, economische factoren, technologische factoren, enz. Ook goed is subantwoorden van bovenstaande groepen factoren.
d Vermogenspositie, personeel, productiemogelijkheden, marketingplan/marketingmix.
Paragraaf 5.5
12 a Productie-, product-, verkoop-, marketing- en maat-schap-pelijk marketingconcept.
b De bestaande marktbenaderingswijze werkt onvoldoende meer, omdat de omgeving veran-derde. Het aanbod nam toe, ook de concurrentie en de koopkracht. Evenals de techni-sche ontwikkelingen zorgden voor verande-ringen.
13 a De eerste drie concepten.
b De producenten hoefden niet naar de behoeften van de afnemers te kijken. Zij werden min of meer verwaar-loosd. De producenten hadden het voor het zeggen.
14 a Een goed en goedkoop product verkoopt zichzelf. Pro-beer zoveel mogelijk te produceren om daarmee de kosten te drukken; de lagere prijs zorgt voor afzet.
b Een goed product verkoop zichzelf.
c Voorbeeld uit eigen omgeving. Zoals een garage die vak-manschap levert, zonder echt op de wensen van de klant in te gaan. Een dokter in het ziekenhuis, die technisch perfect opereert, maar weinig aandacht voor de patixc3xabnt heeft. De verkoper van de scooter die maar door gaat over technische details en zich-zelf heel goed vindt.
15 a Met behulp van communicatie (reclame) en distributie (verkooppunten) verkoopt het product wel.
b Het bedrijf bepaalt wat er geproduceerd wordt.
c Door de toegenomen concurrentie, de gestegen koop-kracht, de technische vooruitgang en meer vraag dan aanbod be-paalt de consument wat er op de markt ge-beurt. Technisch goede producten met de juiste ver-koopinspanning worden niet meer verkocht, omdat deze producten onvoldoende inspelen op de behoeften van de consumenten.
16 a Het marketingconcept is de marktbenadering waarbij de behoeften van de afnemers uit-gangspunt van hande-len is.
b Het maatschappelijk marketingconcept houdt ook nog reke-ning met de maatschappelijke ge-volgen van het handelen.
Paragraaf 5.6
17 a Het consumentengedrag bestaat uit het communicatie-, koop-, consumptie- en afdankge-drag.
b Consumptiegedrag is de manier waarop consumenten met hun gekochte goederen (en dien-sten) omgaan.
c Bij communicatiegedrag verzamelt de consument informatie over de te koop zijnde produc-ten. Koopgedrag vertoont de consument op de plaats van aankoop en op weg naar die plaats. Deels overlappen deze twee elkaar.
d De oude, maar nog niet versleten spijkerbroek wordt in de kledingbak naast de papierbak gestopt. De lege verpakking van een limonadeblikje wordt weggegooid. De auto wordt inge-ruild bij de aanschaf van een nieuwe.
e Als er geen afdankgedrag bestond, zouden vervangende producten niet verkocht worden. Bovendien komen tegenwoordig veel afgedankte producten beschikbaar voor hergebruik.
18 a Howard & Sheth hebben het consumentenkoopgedrag ingedeeld naar de moeite die iemand doet om producten te verkrijgen, op basis van de ervaring die iemand heeft met deze pro-ducten. Zij onderscheiden:
– routinematig aankoopgedrag (RAG), waarbij de consument uit ervaring precies weet
wat hij waar wil kopen tegen welke condities;
– het beperkt probleemoplossend aankoopgedrag (BPO), waarbij de consument al eer-
der ervaring met de koopsituatie heeft opgedaan, maar zich nu opnieuw wil orixc3xabnteren op het aanbod;
– uitgebreid oplossend aankoopgedrag (UPO), waarbij de consument nog geen ervaring
met de te kopen producten heeft en het koopproces volledig wil doorlopen.
b Hiermee wordt het koopproces doorlopen van Bewustwording dat een product aangeschaft moet gaan worden, via de Belangstelling voor bepaalde producten, merken, uitvoeringen en winkels, de Beoordeling van de verschillende mogelijkheden tot het Besluit welk product, merk, uitvoering hij tegen welke prijs en waar gaat aanschaffen. Na de aankoop gaat de consument op zoek naar Bevestiging van zijn juiste keuze.
c Gezien vanuit de vraag is de autonome vraag de vraag die altijd wordt uitgeoefend, onaf-hankelijk van het inkomen.
Gezien vanuit het aanbod is het de vraag die er altijd zal zijn bij een x-aantal vragers.
19 a De Wet van Engel leert dat als het inkomen stijgt, men meer aan voedingsmiddelen uitgeeft, maar in procenten van het inkomen minder.
b Er is een bepaalde dwingende volgorde, waarin de mens zijn behoeften bevredigt. Eerst de primaire behoeften (noodzakelijke levensbehoeften), dan de behoefte aan veiligheid en ze-kerheid. Vervolgens ontstaan sociale behoeften, die worden gevolgd door de behoefte aan waardering en aanzien. De hoogste fase die bereikbaar is volgens Maslow is die van zelfre-alisatie waarbij de mens die dingen doet, waarbij hij zichzelf ontplooit, los van geld verdie-nen, aanzien verwerven of macht willen uitoefenen.
c – broodje kaas: primaire behoeften (1e fase);
– vier gangendiner: goed voor de dag komen (4de fase) of primaire behoeften (1e fase);
– ook mogelijk sociale behoeften (3e fase);
– avondje stappen: sociale behoeften (3e fase);
– buitenlamp: veiligheid (2e fase);
– overjas: bescherming tegen de kou is primaire behoeften (1e fase);
– sportschoenen: jezelf ontplooien (5e fase); indruk maken op anderen door de goede
sportprestatie (4e fase); sociale behoeften door met anderen samen te trainen (3e fase);
– cruise: aanzien en status, kijk wat ik me kan veroorloven ( 4e fase);
– rechtsbijstandsverzekering: veiligheid en zekerheid (2e fase).
Paragraaf 5.7
20 a Product, prijs, promotie, distributie en personeel.
b Hiermee bewerkt de marketeer zijn markt. Het is te verge-lijken met gereedschap.
c Ze moeten elkaar ondersteunen en aanvullen. En ze zijn gericht op de doelgroep.
d Het verdelen van de markt in delen.
21 a Via het product bevredigt de consument zijn behoef-ten. Aan het product herkent de consu-ment ook de aanbieder of winkel.
b Assortiment, merk, verpakking en kwa-liteit.
c Diensten: banken, verzekeringen, horeca, taxibedrij-ven, enz.
22 a Alle producten die een ondernemer aanbiedt.
b De breedte is het aantal productgroepen in het as-sorti-ment, de diepte is het aantal producten per productgroep.
23 a Een merk is een teken (naam, symbool) om het product van een bepaalde onderneming te onder-scheiden.
b Daarmee kunnen ze zich onderscheiden van andere aanbie-ders. Daarmee bouwen ze merkvoorkeur en imago op.
c Dat de verpakking als het ware het product moet zien te verkopen, omdat er geen verkoper meer naast het product staat.
24 a Prijs zorgt voor opbrengst. Afzet x prijs = omzet.
b Mensen die sterk reageren op lage prijzen en afge-prijsde artikelen.
c Bij een discounter wordt prijs als wapen ingezet, om zodoende meer klanten te trekken. Een aanbieder aan de bovenkant van de markt heeft natuurlijk ook een prijs, alleen een hoge. Daarvoor levert hij meer service en kwaliteit.
25 a Reclame, persoonlijke verkoop, sales promotions, public relations en free publicity.
b Reclame is elke vorm van betaalde niet-persoonlijke pre-senta-tie of promotie van goederen, ideexc3xabn en dien-sten door een herkenbare afzen-der.
c Afprijzen van artikelen, aanbiedingen, tv-spotje.
26 a Persoonlijke verkoop is het onderhouden van per-soon-lij-ke contacten tussen de onderneming en haar afne-mers met als doel het realiseren van een verkoop.
b Bij dure producten en als er weinig afnemers zijn (zoals op de zakelijke markt).
27 a Dat de actie van tijdelijke aard is.
b Meer inhoud voor dezelfde prijs, een prijsvraag, spaar-systeem, drie halen twee betalen, geld-terugac-tie.
28 a PR is het onderhouden van een goede verstandhouding met een ieder die met het bedrijf te maken heeft.
b Taken PR-afdeling:
- bexc3xafnvloeden publieke opinie;
- verstrekken van info aan de media;
- verstrekken van jaarverslag;
- houden van open dagen;
- optreden bij calamiteiten.
c Free publicity: vrije nieuwsgaring. Het verkrijgen van gratis aandacht in de media.
d Opening nieuw pand en de pers is uitgenodigd. Bekendmaking van de jaarcijfers. Wereldre-cord koekbakken gebroken door de fabrikant.
29 a Onder een distributiekanaal verstaan we de opeenvol-gende be-drijven die betrokken zijn bij de distribu-tie van een product van de (oer)producent naar de consument.
b Bijvoorbeeld:
Fabrikant groothandel detaillist consu-ment.
c De fabrikant selecteert verkooppunten. Niet elk verkoop-punt mag het merk van de fabrikant verkopen.
d Alle convenience goods.
30 a De klant consumeert tegelijkertijd als de aanbieder pro-duceert. Een kenmerk van diensten is dus dat deze niet op voorraad geproduceerd kunnen worden.
b Het personeel ‘is’ bijna het product. Het personeel maakt een groot onderdeel uit van de dienstverle-ning.
c Product, prijs, promotie (communicatie), plaats (distri-butie) en perso-neel.